Gerard Blok
‘Wat ik in m’n lessen nastreef, is om een harmonie tot stand te brengen tussen het muzikale denken – de ideeën die in muziek verborgen liggen – met het gevoelsaspect ervan.'

Docent muziektheorie

 

 

Het ouderlijk huis van Gerard Blok (1949) was gevuld met klassieke muziek. Zijn moeder was een behoorlijke amateurzangeres. Zijn oudste broer studeerde aan het conservatorium en oefende dagelijks de prachtigste pianocomposities. Zijn andere broer speelde viool. En ook Gerard ging al vroeg naar de muziekschool, waar hij eerst blokfluit en daarna viool en piano leerde spelen.

Gerard herinnert zich dat hij, zodra de radiogids op de deurmat viel, hij uitzocht wanneer welke klassieke concerten uitgezonden zouden worden via de klassieke zenders. Op de aangegeven tijd zat hij klaar, vaak met partituur in de aanslag, om naar die grote muziek te luisteren. Popmuziek speelde nooit een noemenswaardige rol in zijn leven. The Beatles bijvoorbeeld vond hij wel aardig, maar hun muziek kon, volgens Gerard, niet in de schaduw staan van de muziek van de grote meesters.

Op zijn zestiende hoorde Gerard een uitvoering van het Ricercare uit het Musikalisches Opfer van Bach, een eindeloze, complexe zesstemmige fuga voor klavecimbel. Hij raakte diep onder de indruk, had de ervaring als het ware in de nabijheid van de geest van Bach te zijn geweest. Toen hij hoorde dat de muziek werd gespeeld door Gustav Leonhardt, een geheel onbekende naam voor hem – was het een Duitser of Oostenrijker? – wist hij: ‘Bij deze man wil ik klavecimbel studeren.’ Het geval wilde dat Leonhardt een Nederlander was en leraar aan het Amsterdams Conservatorium. En zo heeft Gerard vele jaren klavecimbelles gekregen van deze grote musicus.

Naast het zelf muziekspelen, begon Gerard al jong met componeren van zijn eigen muziek. Echter, eenmaal student aan het conservatorium besefte hij dat zijn creativiteit niet sterk genoeg was om iets wezenlijks toe te voegen aan datgene wat er door de eeuwen heen al was aangedragen. Deze constatering deed, ondanks vergeefse aanmoedigingspogingen van zijn docenten, zijn eigen bron opdrogen.

Gerard stortte zich vol overgave op het klavecimbel, en na zijn afstuderen werd hij in eerste instantie leraar klavecimbel aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag.

Maar na een aantal jaren sloeg het noodlot toe: Gerard kreeg een blijvend probleem aan zijn linkerhand, waardoor hij niet in staat was op hoog niveau klavecimbel te blijven spelen en lesgeven. Omdat hij van jongs af aan al interesse had gehad in wetmatigheden achter de muziek was de overstap naar de opleiding muziektheorie snel gemaakt: aan het Haags Conservatorium studeerde hij Theorie der Muziek. Zijn verdere werkleven was hij docent Muziektheorie. Eerst aan het conservatorium in Utrecht en sinds 2007 aan de opleiding Docent muziek, eerst aan Helicon in Zeist en Den Haag, en nu aan de Hogeschool Leiden. Ondanks de handicap aan zijn hand is Gerard altijd muziek blijven maken. Hij zat jarenlang in een barokensemble, waarmee hij met enige regelmaat op tournee ging. In die setting was hij improviserend continuo‐speler, en was hij in staat ‘om zijn handicap heen’ te spelen. Een aantal jaren geleden nam hij ook het vioolspelen weer ter hand.

 

Gerard: ‘Net zoals de grondslagen van de wiskunde, van een taal, of van het schaakspel een bepaalde schoonheid en elegantie bezitten, zo geldt dat ook voor muziektheorie. Ik vind het mooi om mijn eigen fascinatie voor de bouwstenen van muziek aan de studenten door te geven, omdat die intrinsiek ‘mooi’ zijn, en omdat de schoonheid van muziek erin besloten ligt. Bij muziektheorie denken de mensen aan droge theorielessen.

Vanuit mijn achtergrond als musicus weet ik dat ‘theorie’ op geen enkele manier droog of doods is, maar ze is een ander, maar zeker niet minder belangrijk aspect van muziek.

Voor de meeste mensen is de ingang naar de muziek het gevoelsaspect, mensen worden geraakt door muziek, en dat is zeker bij mij ook het geval. Maar wat ik in m’n lessen nastreef, is om een harmonie tot stand te brengen tussen het muzikale denken – de ideeën die in muziek verborgen liggen – met het gevoelsaspect ervan. Ik probeer, zou je kunnen zeggen, een verbinding te leggen tussen de rechter en linker hersenhelft.

Wat het antroposofisch gedachtegoed betreft, dat op deze opleiding een belangrijke rol speelt: ik voel mij er, als enthousiast beoefenaar van boeddhistische meditatie, prima thuis – ook omdat in de antroposofie groot belang wordt gehecht aan een klassieke vorming van de studenten. Daartoe lever ik van harte mijn bijdrage.’

 

Welke muziek zou iedere student moeten horen, en waarom?

‘Ik zou wel honderd stukken, uit alle stijlperioden, kunnen noemen, maar omdat het maar één stuk mag zijn kom ik toch op dat werk van miraculeuze schoonheid: de Matthäus-Passion van Bach. Studenten zouden die niet één keer moeten horen, maar minstens zeven maal zeven maal! De Matthäus-Passion bevat een ongelooflijke rijkdom en diepgang. Alles wat Bach heeft gedaan, zit in deze muziek: van het meest complexe contrapunt tot het allerontroerendste wat ooit door een mens is gecreëerd. Ik kies voor een fragment uit de Matthäus-Passion: de aria ‘Erbarme dich’, omdat die zo subliem een universeel gevoel uitdrukt waar ieder mens zich in zal herkennen. Ik koos voor deze uitvoering, door Anne Sofie von Otter, in haar alledaagse kledij, op gymschoenen, met haar gebaren die de gevoelsstroom van de muziek zo mooi begeleiden.’

 

Luister naar Gerards muziektip:

Fenneken Francken

Jur de Vos

Stijn van Lier

Bob Wijnen

Reyer Ploeg

Diana Todria

Gerard Blok

Huub Jansen

Magali Müller -

Peddinghaus

Heleen van Boeschoten

Marianne van Asperen

Mario Sarrechia

Contact

Opleiding Docent muziek

Hogeschool Leiden

Zernikedreef 11
2333 CK  Leiden

 (071) 518 88 00